2.1 De context
Wanneer we een tekst bestuderen, dan moeten we verschillende zaken goed in de gaten houden:
- de interne context,
- de externe context,
- de context van de exegeet (dit valt buiten het bereik van deze cursus en wordt besproken in de cursus Hermeneutiek II).
In schema ziet dit er als volgt uit:

Onder de externe context van de tekst verstaan we onder meer:
- de historische en culturele achtergronden van de tijd waarin de tekst is geschreven,
- de persoonlijke achtergronden van de schrijver die de tekst heeft opgesteld, en eventueel ook van de geadresseerden,
- eigenlijk moeten wij hier ook de tekstgeschiedenis toe rekenen; dit betekent dat we ons dienen af te vragen of er wellicht verschillen zijn in de handschriften die ons zijn overgeleverd en of wij wel beschikken over de tekst in zijn meest zuivere vorm. Wij zullen ons hiermee echter in deze cursus niet bezighouden. Dit onderwerp komt aan de orde bij de cursussen Hebreeuws en Grieks.
Onder de interne context van de tekst verstaan we onder meer:
- de onmiddellijke context van de tekst: de verzen onmiddellijk voorafgaand en volgend op de betreffende tekst;
- de context in relatie tot de alinea, de paragraaf en het hoofdstuk, waarin de tekst is opgenomen;
- de context van het hele dokument;
- de context van de bijbel als geheel.
In schema gezien ziet dit er als volgt uit:

2.2 De interne context
Een tekst is ingebed in zinnen die vaak met deze tekst samenhangen. De regel ervoor en erna vormen zo de onmiddellijke context waarin de tekst tot ons komt. Zij maken op hun beurt deel uit van een alinea.
Een alinea bestaat uit samenhangende zinnen waarin een bepaald onderwerp aan de orde komt. Zodra dat onderwerp is afgerond, volgt een nieuwe alinea. Een afgerond geheel van alinea´s noemen we een paragraaf.
Een paragraaf introduceert meestal een nieuw gedeelte in het hoofdstuk. Meestal wordt zo´n nieuw gedeelte voorzien van een tussenkopje of een ondertitel, maar dit hoeft niet altijd zo te zijn. Bovendien moeten we er rekening mee houden, dat deze indeling en benaming van de bijbelvertalers afkomstig zijn en niet van de bijbelschrijvers. Het zal niet de eerste keer zijn dat wij hierdoor op het verkeerde been zijn gezet.
Lezen: Matth. 10:17-27. De eerste alinea loopt van 17-23, de tweede van 23-27.
Vraag: Waar moet je op letten om alinea´s en paragrafen van elkaar te scheiden?
- een woord, zin of uitdrukking kan als een introductie voor een nieuw gedeelte worden gebruikt. Bijvoorbeeld: I Cor. 5:1: "Inderdaad, men spreekt van hoererij onder u.". Woorden, waarop wij alert dienen te zijn, zijn onder meer: vervolgens, verder, bovendien, wat meer is, tevens, daarnaast, integendeel, in tegenstelling daarmee, tenslotte, enz.
- het gebruik van een retorische vraag kan een nieuw gedeelte inluiden. Bijvoorbeeld: Rom. 3:9: "Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld?". Vooral in de brieven komen we dit nogal eens tegen.
- Een (verandering van) tijdsaanduiding kan aangeven dat hier een nieuw gedeelte begint. Bijvoorbeeld: Matth. 17:1: "En zes dagen later nam Jezus Petrus en Jacobus en zijn broeder Johannes mede.".
- Een verandering van spreker, omgeving, plaats, gedachte enz. duidt op een overgang in de boodschap. Bijvoorbeeld: Mc. 7:24: "En Hij stond op en vertrok vandaar naar het gebied van Tyrus.".
- een woord, zin of uitdrukking kan als niet alleen als introductie, maar ook als een afsluiting van een gedeelte worden gebruikt. Bijvoorbeeld: Matth. 16:4: " En Hij verliet hen en ging heen".
Samenvattend kan worden gesteld dat men voor het onderscheiden van de verschillende onderdelen heel goed moet letten op veranderingen in vorm en inhoud van de tekst.
Voorbeeld. Het 'toledot' uit Genesis
In Genesis 2:4 staat: 'Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde'. De Hebreeuwse uitdrukking voor 'geschiedenis' is 'toledot'. In de Statenvertaling wordt dit woord vertaald met 'geboorte', omdat het woord aangeeft dat er iets gebeurt wat ergens toe leidt. Het woord 'toledot' zegt heel kort wat voorafgegaan is om vervolgens het gevolg of het produkt van het baren te beschrijven. Genesis 2:4 zouden we eigenlijk moeten lezen als: 'het begon met de schepping van hemel en aarde en het liep uit op de mensheid'.
Genesis kent tien van deze 'toledots', namelijk:
- Gen. 2:4 - toledot van hemel en aarde (Gen. 4:26)
- Gen. 5:1 - toledot van Adam (Gen. 6:8)
- Gen. 6:9 - toledot van Noach (Gen. 9:29)
- Gen. 10:1 - toledot van Noach's zonen (Gen. 11:9)
- Gen. 11:10 - toledot van Sem (Gen.11:26)
- Gen. 11:27 - toledot van Terach (Gen. 25:11)
- Gen. 25:12 - toledot van Ismaël, zoon van Abraham (Gen. 25:18)
- Gen. 25:19 - toledot van Isaäk (Gen. 35:29)
- Gen. 36:1 - toledot van Ezau (Gen. 37:1)
- Gen. 37:2 - toledot van Jacob (Gen. 50:26)
Elk van deze 'toledots' geeft aan: hiermee begon het, om vervolgens iets anders te gaan beschrijven, namelijk hetgeen hieruit is voortgekomen. De ene toledot blijkt tevens het einde van een reeks en het begin van een volgende reeks aan te geven, zodat we deze tien blokken als afzonderlijke eenheden binnen Genesis zouden kunnen opvatten. Het zal duidelijk zijn dat deze onderverdeling van belang is bij de verklaring van de tekst, die wij onder handen hebben.
Een belangrijk instrument van de hermeneutiek is het in kaart brengen van de onderdelen waaruit een boek of bijbelgedeelte is opgebouwd. Hiervoor worden over het algemeen de twee volgende methoden gebruikt.
2.2.1 Het structuuroverzicht
In de eerste methode worden de verschillende onderdelen van een bijbelboek onderscheiden en benoemd. De afzonderlijke delen van de tekst worden 'gelaagd' weergegeven en van een titel voorzien.
Voorbeeld. De brief van Paulus aan de Romeinen

Het opstellen van een dergelijk overzicht van de structuur helpt om de lijn van het boek in beeld te krijgen. Men wordt enerzijds gedwongen om onderscheid te maken en anderzijds om verbanden te leggen. Deze verbanden komen tot uitdrukking in de verschillende 'lagen' van de tekst en de keuze van de titels.
Wanneer men eenmaal een dergelijke structuur heeft opgesteld, is het een heel handig hulpmiddel om een tekstgedeelte heel snel in te passen in de totale boodschap van het boek.
In bijna ieder commentaar wordt de lezer een dergelijke structuurindeling aan de hand gedaan.
Opdracht. Het structureren van een boek kan grof of fijn gebeuren. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om Rom. 1:18-32 nog verder uit te werken. Probeer het maar eens.
Een nadeel van deze methode is, dat hij één-dimensionaal is. Er wordt door de keuze van de titels slechts één verhaallijn aangegeven, terwijl het in werkelijkheid heel goed mogelijk is, dat er meerdere verbanden en thema's aan de orde worden gesteld. Om deze reden wordt er door sommigen een andere methode voorgesteld: het panoramisch overzicht.
2.2.2 Het panoramisch overzicht
Met deze methode wordt een meerdimensionaal overzicht van het bijbelboek opgesteld, dat kan worden aangevuld met symbolen en figuren om de onderlinge samenhang aan te geven. Eén van de bekendste exegeten op dit terrein is Irving J. Jensen. Zijn overzicht van de brief aan de Romeinen ziet er ongeveer zo uit.

In de schuine delen aan de bovenzijde kunnen de paragraaftitels worden vermeld, zoals deze ook in het structuuroverzicht worden aangegeven. In de blokken daaronder kunnen de gesignaleerde verbanden worden aangegeven en worden geaccentueerd met pijlen en andere figuren. Daarnaast kan men nog melding maken van sleutelwoorden en sleutelverzen.
Deze methode biedt een meer visueel ingesteld overzicht van een bijbelboek. Het is heel toegankelijk en overzichtelijk en men kan er alles in kwijt wat men in de tekst aan verbanden meent te signaleren.
De kracht van deze methode is tegelijkertijd zijn grote zwakheid, omdat de exegeet wordt verleid om verbanden te onderscheiden die er in werkelijkheid niet zijn. Hij of zij dient hiermee dan ook terughoudend om te springen.
Waar deze methode een helder overzicht kan bieden voor een heel bijbelboek, kan dit uiteraard ook voor een gedeelte hiervan.
Tenslotte dienen we nog in de gaten te houden dat we de informatie die voorhanden is, plaatsen in het licht van de gehele Schrift. We dienen ons rekenschap te geven van de vraag of er elders in de bijbel over hetzelfde onderwerp wordt geschreven. Indien dit zo is, dan zal men deze informatie in gedachten moeten houden bij de bestudering en uitlegging van de tekst.
Opdracht. Stel ten behoeve van de tekst die je voor nader onderzoek hebt uitgekozen een structuuroverzicht of een panoramisch overzicht samen.
2.3 De externe context
Hiervoor hebben we al vermeld dat we in deze cursus onder de noemer van 'externe context' van de tekst onder meer verstaan:
- de historische en culturele achtergronden van de tijd waarin de tekst is geschreven,
- de persoonlijke achtergronden van de schrijver en de geadresseerden,
- de tekstgeschiedenis.
Globaal geformuleerd gaat het hier om een onderzoek naar de algemene inleidingsvragen en specifieke achtergrondinformatie.
2.3.1 De inleidingsvragen
De inleidingsvragen van een bijbelboek worden behandeld bij de bespreking van de afzonderlijke bijbelboeken. De volgende vragen worden tot de inleidingsvragen gerekend:
- Wie is de auteur van het boek? Wat is dit voor iemand? Wat is zijn situatie op het moment van schrijven?
- Aan wie is het boek gericht? Wat zijn dit voor mensen? Hoe ziet hun culturele achtergrond eruit?
- Wanneer is het boek geschreven?
- Wat is de aanleiding voor het schrijven dit boek?
- Waarom en waartoe is het boek geschreven?
- Is de voorliggende tekst betrouwbaar?
Het komt erop neer dat je je zo goed mogelijk probeert in te leven in de ontstaansgeschiedenis van het geschrift. Je moet als het ware in de huid van de schrijver kruipen en je proberen voor te stellen wat er in hem omging.
Omdat het geschrift is bedoeld voor specifieke hoorders uit de Oudheid, is het ook van belang dat wij proberen ons in te leven in hoe de tekst bij hen overkomt. Daarom is het ook van belang zoveel mogelijk achtergrondgegevens over de toehoorders te verkrijgen.
Vraag. Bespreek van ieder punt het belang voor het verstaan van de Schrift.
2.3.2 Achtergrondinformatie
Het tekstgedeelte dat wordt bestudeerd kan vaak beter worden begrepen wanneer we achtergrondinformatie opdoen over specifieke zaken die in de tekst worden beschreven.
Deze achtergrondinformatie kan betrekking hebben op onder meer:
- theologische,
- historische,
- culturele,
- economische,
- sociale,
- politieke,
- geografische,
- topografische zaken.
Er zijn allerlei hulpmiddelen beschikbaar om meer zicht te krijgen op de externe context van een tekst: een bijbelse atlas, bijbelse encyclopedie, bijbels woordenboek, biografieën, enz.
Opdracht. Werk de externe context uit ten behoeve van de gekozen tekst.

|